is toegevoegd aan je favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET is helder winterweer. De huizen schitteren of ze van bloedkoraal zijn, de windwijzer op de Lambrechtstoren is een haantje van licht, de boomkruinen hebben een zilveren zijkant. Taco kijkt er wel oplettend naar. Hij heeft toch niet zooveel erg in de flonkerende dag. „Anne-Cris . . ", zegt hij bij zichzelf, „Anne-Cris . . ." Hij gaat door het Reiferpark. En daar zit Godlief Vickers op een bank en voert de wintervogels met kleine brokjes brood. De dag begint pas, het verbaast hem niet dat Godlief daar zoo maar zit: hij denkt er verder niet over. Er hippen musschen en spreeuwen in het rond, er is een roodborstje en een kraai. Magere madelieven staan nog in de grasranden. De boomstammen zijn oud en zwart aan de eene kant en jong en groen aan de andere kant. Als men er lang-genoeg naar kijkt, wordt een uitwas vaak een grijnzend gezicht . . . Hij praat ook nog wel met Godlief. Godlief bevit de N.S.B., en hij gaat daar met een soort van wrang genoegen tegen in — het klinkt allemaal zoo onwerkelijk. „Elke partij heeft toch recht van bestaan, Godlief?" „Dat zegt die partij zelf allerminst, mijnheer de redacteur." „Als je dat zoo verkeerd vindt, Godlief, dan moet je niet meegaan in het kielwater van dat schip. Als iemand jou tegen de grond wil slaan, moet jij dan ook weer iemand anders tegen de grond slaan?" „Ik denk het, mijnheer de-nieuwe-geluidenschrijver, het ligt er ook vaak aan. En ik neem het je kwalijk, dat je zooveel geschrapt hebt in dat laatste stuk van me." Het klinkt zoo mat en verweg, het klinkt niet eens ontstemd. Nog terwijl ze luisteren en praten, lijken ze te vergeten dat ze luisteren en praten. Een