is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze ruikt naar lindebloesem en jonge boschviooltjes — deze Cobie Savrij is een vróuw . . . Hij fronst onzeker. „Ik heb toch een hekel aan je", denkt hij. En zijn doezelige verwondering neemt toe: het is of een vreemde iets over Cobie zegt, of hij een vreemde hoort praten. „Een hekel?", hij probeert er over na te denken. „Oh wel nee — née." En dan kijkt hij nog 's naar haar. Er gaat iets van haar uit, iets van warmte, hulpvaardigheid, wat beminnelijks. Haar genegen oogen tintelen blauw. Haar hand op de stoelleuning komt dichter bij. Hij wil toch nog van haar wegschuiven. „Angst?", vraagt Anne-Cris in de verte. Het klinkt geringschattend. Hij schuift dichter naar Cobie toe. Dan ziet hij ook weer dat ze opgewonden is en zenuwachtig en beangst. De dunne stof van haar jakje trilt voortdurend op haar borst. Haar lippen bewegen, ze wil iets zeggen, ze zegt toch niets. Ze knijpt in de plooien van haar rok, ze drukt haar knieën zoo stijf tegen elkaar aan of ze pijn heeft . . . Helpen kan hij haar niet. Vaak trekken dezelfde woorden door hem heen: „Totaal van streek — heelemaal uit haar evenwicht — volslagen wèg . . ." Dan is er een droefheid die hij niet kennen wil. Hij let op Cobie. Haar lippen springen open, nu zegt ze haast iets. Nee, ze houdt het nog in. Ze legt haar vingers in een vaste greep om haar keel heen en ademt benauwd. „Taco", mompelt ze. Vragend wacht hij. Ze schudt haar hoofd. „Och nee — niks." Lang is het stil. Dan kijkt ze weer tersluiks naar hem. Haar mond trekt. Met een ruk keert ze zich plotseling naar hem toe, dan praat ze toch, dan stoot ze er de woorden uit. „Ik ben óok ellendig tegen jou geweest, en zoo lang mogelijk, jij weet