is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nacht martelt hem. „Angst?", vraagt Anne-Cris in de verte. Hij grinnikt, en er is een gebarsten klank in die grinnik-lach, hij houdt er gauw mee op. „Nee", zegt hij knorrig, „om de dooie dood niet, Anne-Cris, om de dooie dood niet . . ." Al-door poogt hij iets te onderscheiden in die kamer. Het licht wil hij toch niet aantrekken, hij wil zichzelf niet zien zitten in de deurspiegel: verbijsterd te midden van de stilte . . . En al wat er in hem omgaat, is vaag en onsamenhangend. Een woord uit het oue Bijbeltje klinkt in hem na, een fragment uit de Matthaus-passion. En de herinnering aan het eerste morgen-gloren van een zomerochtend flitst door hem heen, een jeugd-illusie komt weer boven: het verlangen naar een nieuw Jeruzalem . . . „Wat blijft er nou over", denkt hij, „van het heele leven?" Hij knerst op zijn tanden: „Hooghartige stilte, hooghartige hoon, hooghartige wreedheid, en dat alles bij elkaar is Anne-Cris." Breed en sterk schiet de haat in hem op. Zijn gedachten omringen dat felle heete haatgevoel, wroeten er zich in vast. ,,Anne-Cris", herhaalt hij.

Tegen de morgen weet hij precies wat hij haar zeggen zal. „Het is uit tusschen ons", zal hij zeggen, „dood als een pier. Heb nou maar gijn. Ganz wunderbar schön, nicht wahr?, überirdisch, nicht wahr? Glimlach nou maar op je uitgelezen manier! Je kunt van mij net doen wat je wilt. Je kunt je opknoopen van mij! Ach wie himmlisch, verstehen Sie? Je kunt Weigel nemen van mij — en neem er nog een bij!, nett — ganz nett, verstehen Sie,?, het doet er nou toch niks meer toe, het is nou toch voor alles te laat! Weet je wat jij bent?, een verdomd creatuur ben jij! En nou je er vroom bij wordt,