is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

archief vol lorren. De klok tikt, een plank piept, de deurknop springt terug. Er zou iemand binnen kunnen komen. Hij denkt: „Tusschen deze avond en de volgende — in de naaste toekomst, ligt wéér een stuk verlatenheid, een — zandwoestijn." Hij wil glimlachen, zijn mond krijgt enkel maar een plechtige trek. Hij staat langzaam op, laat een drinkglas vol loopen onder de waterkraan en schroeft het bruine fleschje open, schudt de inhoud uit op zijn hand, laat de tabletten een voor een in het water glijden, en zet het glas bij zijn bureaulamp neer. „Aanstonds." Dan wrijft hij met zijn vingertoppen hard over zijn voorhoofd heen. „Moet ik nou . . . ik moet toch ook nog wat in orde maken? Cato zei: régelen. Och, wat dan? Anne-Cris heeft haar verzekering. De jongens missen me niet. Een brief schrijven? Waarom? Heeft Marees dat gedaan?" Het is plotseling ook, of hij ijler dan ijl en in een flits, zijn \ ader's gezicht ziet: het witte haar, het hooge voorhoofd, de nobele oogen. „Er is toch immers niks voor mij overgebleven, Vader?" Hij denkt ook aan het verlepte viooltjesgezichtje van zijn Moeder. „Wat kan ik voor je zijn, Moeder? En wat ben jij voor mij?" Het is of een verre stem hem roept, angstig, benauwd, scherp. Hij beeft en zweet, en trekt zijn schouders op. „Nonsens, mij roept niemand!" Wat verwonderd merkt hij, dat hij weer in zijn stoel bij de kachel zit. Hij wist dat niet eens ... Nu is er toch een gerucht daar buiten. Hij luistert. Ja, er is een stap in de straat, een stap die naderkomt, een lichte ijle stap. „Is de — buitendeur wel op slot?", denkt hij. Het is al te laat om dat te onderzoeken. De stap is vlakbij. „Look?", het is of die naam door hem heen