is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen?, en met Cato Meertens en haar man?, zou toch wel willen weten, hoe het met dié menschen gaat, ik loop maar te suffen." Hij denkt ook weer aan die houseparty, op het eind van de week, bij Stritz. „Dan zal jij er ook aan moeten gelooven", zegt hij bij zichzelf, „beloofd is beloofd, en dan hoor je alles wel — al wat Oxford uitgericht heeft te Rijckevorsel . .

„Hallo Vader!", ineens is Thieu daar, Thieu die op hem afkomt of hij hem opgewacht heeft, en die nu dicht naast hem opwandelt: zijn zoon Thieu, die telkens naar hem opkijkt, die iets zeggen wil — wat hij niet goed zeggen durft. Taco merkt het wel. „Dan moet ik hem maar een beetje tegemoet komen", denkt hij. „Hoe vin' jij Moeder nou?", polst hij ineens. „Moeder ziet er nou toch wel een klein beetje beter uit, vin' jij ook niet?" Thieu krijgt een kleur of hij ergens op betrapt wordt. „Moeder?", mompelt hij schichtig. Hij is een slim jongetje. Hij doet of hij zich bedenkt. „Een priegel", zegt hij dan zorgelijk. Hij loopt dichter bij Taco. „Ze heeft toch niet ... ze is toch niet ziek, wel Vader?, het — het is toch geen tering? In ons leesboek op school is zoo'n verhaal . . Hij wacht maar niet op een antwoord. „We doen nou toch wel alles, wat we voor Moeder kunnen doen, hè Vader?" „Tja", zegt Taco weifelend, „ik — ik geloof van wel, jongen." Hij zucht ook. Ze loopen langs allerlei winkels, kleurige blinkende voorwerpen liggen er achter de ramen. En Taco krijgt een idee. „Zullen we wat moois voor je Moeder uitzoeken, op een keer?" „Nou dadelijk maar", neemt Thieu gretig aan. Ze drentelen van het eene raam naar het andere: corpulente reisklokjes, buikige penduletjes