is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marregie ook. Maar vader ook en groffie zelfs. Het was dan geen eigen bezit, maar toch iets dat daar op geleek, na zooveel jaren. En nu is dat huis en is die tuin overgegaan op een vreemde. Adriaan den Oudsten kostert in Polsbroek en bezet voor de kerk die schutse. Een indringer in de plaats van den ouden stam. Maar 't kon toch ook niet anders. Toen vader stierf waren er geen zonen voorhanden om de kosterij over te nemen en een vrouw past toch het kostersambt geenszins.

Maar dat huis was waarlijk een deel geworden van 't bestaan harer familie. Toen ze er nog in woonden, was daar huwelijksgeluk, holden er kinderen doorheen, die lachten en speulden. Toen was het zonnig in 't geslacht de Pater, nu is dat bezig weg te ebben in een oudachtig Mensje, dat de kerk proper houdt en stilletjes naar 's levens uitgang schuift.

Ach, hun oude tuin. Ze is er nooit meer geweest, sedert Adriaan den Oudsten — uit Jaarsveld gekomen — zijn zwakke vrouw naar het kostershuis bracht. Ze weet niets met zekerheid over dien tuin, want ze kent er alleen maar het landhek van en dan nog de hooge boekenhaag bij 't langsloopen met haar emmers en dweilen. Maar ze heeft toch heugenis en die zegt haar, dat de kosterstuin eigenlijk een wondertuin is, volbegroeid en welig als een hof uit Oostersche landen, vettig en vruchtdragend. En in dien ouden familietuin daar kan een mensch verdwalen, zóóvele paden en toepaden zijn er, zoo wild dooreen shngeren die vreemde paden langs boschjes van bloeiheester en ander fraai gewas. Er zijn dan ook in dien wonderen tuin diep verborgen plekken, waar een sterke vent een boombijl zou noodig