is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kent en erkent. Dan stapt deze hatelijke Adriaan fier door haar kerk, inspecteert met zijn wijsvinger of hij ergens stof kan vinden en tergt haar zwijgend, tot ze er wel bloed van spouwen kan. En zulke temptatie heeft moeder in haar jaren toch niet gekend in de kerk.

Vroeger heeft Mensje wel eens geklaagd er over. Maar dominee van den Kieboom, die toendertijd in Polsbroek stond, zei vredelievend: „Mijn kind, verdraag den man. Ieder mensch is weliswaar van nature geneigd zijnen naaste te haten, maar des Heeren wet staat daar om zulks te verhoeden. Verdraagt elkander!" En nu, sedert meer dan twintig jaren, klaagt Mensje niet meer.

Als ze Adriaan door haar kerk ziet stappen in zijn zwarte slippenjas, dan schieten wrok en nijdigheid naar haar keel. Dan is ze gelijk een veldkat, die een losloopenden hond ontwaart. Maar bovenal wanneer hij vrindelijk is, de satan, dan pas gloeit haar furie aan. Hij moet niet vrindelijk zijn, ze verdraagt dat niet. Laat hij haar liever sarren, dan kan ze, door hem zwijgend te wederstaan, doen weten hoe min ze hem acht. Ondanks zijn hannesachtige plechtigheid van koster te zijn. En is zij zelve dan ook geen kostersdochter?

Adriaan den Oudsten acht zich halvelings een dominee, ze weet dat goed. Hij stikt nog eens in den hoogmoed, deze ijdele man. Zijn kosterij — toch weibezien een nederig ambt — noemt hij statiglijk .... eene bediening. Ja, hij heet zichzelven zoo gaarne de bedienaar der kerkelijke diensten, wel wetend dat dat bijna gelijk luidt aan Bedienaar des Woords. „Mijne bediening," heeft hij eens gezegd tot de vrouw met ragebol en boenders: „mijne bediening is van Aposto-

De Koets — 2