is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een week lang is de koster weggebleven, vertoevend te Yianen bij de doode ofwel te Jaarsveld bij de overlevenden. Toen verscheen hij weer in Polsbroek, om als vanouds, zijn bezigheden op te nemen. Wat zou de daklooze aanvangen? Geen mensch wist bescheid. Maar den eigensten avond van zijn overkomst is hij tot Mensje de Pater gegaan in haar kleine woning. Ze verschrok heftig; zóó schrikkelijk schrok ze, dat haar asem werd afgesneden en dat ze koud werd tot op heur haarwortels.

„Mensje," zegt de man in het zwart plechtig .... „ik kom met je praten." Zwijgend reikt ze een stoel, ze bezit er trouwens maar twee. „Alles is bij me afgebrand," zegt de ander toonloos ,,Alles." Ze knikt in verbijstering. „En ik sta zonder dak." Daarop zwijgt Adriaan en kijkt haar aan, alsof ze de rest eigens maar vatten moet. Maar Mensje vat niets, ze kan niet denken naast dezen man, ze is alleen maar ten doode verbouwereerd door zijn aanwezigheid. Ineens neemt hij weer het woord op. „Hoe oud ben je onderhand, Mensje de Pater?"

Ze wordt wakker van die vraag. „Om en nabij de vijftig," zegt ze, al is ze pas vijf en veertig. Maar ze heeft verleerd de jaren een voor een te tellen, nu ze zoo gewisselijk alreeds den ouderdom inschuift.

„Om en nabij de vijftig? Dan zal er ook geen praat over komen, schat ik."

„Wat? Waarover?"

„Ik sla je voor, ik kom bij je inwonen?"

„Gerechtigheid!" schreeuwt ze.

„Mensch nog aan toe, doe zoo ontdaan niet. Je hebt vroeger toch ook wel thuisliggers gehad?"