is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Is 't je niet te ver om meteen mee te loopen?"

„Nee, nee, heel niet te ver, nee dominee."

Onderweg naar 't Benschopsche dorp, waar hem de vervulling wachtte van een verlangen zóó groot (binnen een uur ging dit onbereikbare werkelijkheid worden) kreeg de dominee het schuwe kind toch zoo ver, dat hij antwoord gaf op de simpele vraag: „Hou jij dan zooveel van muziek, Maarten?"

„Ja, ik," prangde Maarten er uit, „van vroeger al."

„Je hoort zeker zelden muziek, hè jongen?"

„Dag aan dag de vogels en 's Zondags het orgel en den zang."

„Ach zoo, de vogels. Je kent zeker de vogels goed?"

„Ja, dominee, dat doen ik."

„Ik wou dat ik je helpen kon. Ik bedoel, dat jij iets kon worden, dat bij je gestel en je aanleg past. Je bent niet sterk, naar ik heb gehoord. En lang ben je ziek geweest. Voor jou zijn daar achter in de kooi zoo weinig mogelijkheden. Trouwens, ik vrees, in heel dit buurtschap niet."

„Maar ik wil hier altijd blijven."

„Zie jij dan zelf 't een of andere werk in de toekomst voor je? Zeg het me eens openlijk. Denk jij maar, dominee meent het goed met me, wil me goed raden."

„Ik wil zoo graag je fluit, dominee."

„Maar kereltje, die krijg je toch ook. Maar daar had ik het niet over. Ik bedoelde je toekomst. Je staat nu zoo ongeveer voor de beslissing. Heeft moeder er al over gesproken met je voogd?"

„Weet ik niet. Krijg ik echt de fluit, dominee?"

„Jij krijgt m'n fluit. Geloof het nu maar. 't Andere