is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

druk te praten. Wild legt hij uit, aan de moeder en ook aan den broer, dat z'n bedoelingen bar eerlijk zijn. Hij vertelt dat hij een wees is, goed z'n kost verdient bij een boer, dat hij weieens gezopen heeft, wel eens achter 't meid heeft gezeten, zelfs wel eens gevochten heeft om een meid, weieens gevochten met den diender op de Benschopsche kermis ook al — maar werk is daar niet van gemaakt — dat hij is gelijk hij is, maar eerlijk van harte. En dat hij hier in den huis nou hardsteken gek geworden is op die Mijntje van hun en dat hij en dat hij .... duzend dingen en een wil hij ... . Rijk is hij niet, maar wat niet is, dat kan komen. Want hij heeft wel een helderen kop, dat wel.

„Weet je juffrouw, ja luister nou goed, weet je wat ik ga doen, als jouw dochter ja zeit? Dan neem ik heur mee naar Polsbroek, dan ga ik bar hard veur haar werken, een hoop fietsen ga ik verkoopen en dan zullen we een rijk bestaan hebben in de fietsen."

Maar die moeder vindt zeker, dat het allemaal veal te wild is gegaan en tevens zoo ongewoon en zoo ongepast. „Je kent haar amper, man," zegt ze afkeurend. „Jij gaat zeker alleenig af op wat je oogen zien. Wat weet jij nou, of zij bij je passen zal. Zulke hittigheid die bij de oogen naar binnen komt, waait er zóó weer uit. Nee, hoor, man."

Tot antwoord wil hij zeggen, dat hij een klok heeft hooren luien in zijn hersenen, iederen keer als ze naar hem keek en vrindelijk lachte, maar hij bedenkt op tijd, dat ze hem hier dan wel voor een geraakte zullen verslijten rijp voor 't dwangbuis. „Ja," zegt hij. „Ik ken heur amper. En van 't zien is het me overkommen,

De Koets —11