is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik ben in de stad geweest, vrouw. Over een paar uur komt hier een boom van een dokter in een automobiel en die zal best wel raad schaften." Maar zelf kon hij toch niet den durf opbrengen, om van het bedje weg te gaan.

Daar zaten ze nou. Twee groote menschen, bang als schoolkeinderen die wat hebben uitgehaald. En in 't ledikantje sliep onrustig hun ziek Geurtje. En wat er nou weer scheef zat in dat brosse gestel, ze wisten 't nog niet eens. Wat is dat akelig en hoe schrikkelijk lang duurt dat wachten en wachten, tot zoo'n dokter uit Utrecht eindelijk komt.

Toen Bert even naar beneden was, om gauw een paar stukken brood naar binnen te slaan — Mijntje kon heelegaar niet eten — hoorde hij haar ineens bang roepen.

„Bert, Bert! Naar den dokter!" schreeuwde ze, ,,'t keind doet ineenze zoo akelig!" Met drie-vier sprongen was Bert boven. En wat hij daar zag was toch wel zoo bar. Hij wist nou toch onderhand wel wat benauwenis is, bij een vrouw zoowel als bij een kind; hij had dit eigenste jonkie toch bekant zien stikken in een croup-gezwel, maar een benauwenis, gelijk hij daar nu aanschouwde was ijziger. Als een pier kronkelde zijn kind zich in het bedje, ingehouden kreunend als een zwaargewonde. Dat een kind zoo vreemd kan steunen en kreunen, net het doodsgerochel van een oud man. En die handjes, die klauwende vingers waarmee hun Geurtje het laken aan flenters trok. Bert greep naar die handjes om het kind kalm neer te leggen. Dwazelijk heeft hij gemeend dat dit helpen zou, maar

De Koets —13