is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je oogen zal ik dichtslaan, viezerik!"

„Kind, wat beloof jij toch een hoop," lacht Pieter van den Boogaard.

„Maar ik ken jou wel, vulik; met Goudsche Malloot heb ik koeken bij je gekocht. Weet je vrouw het, dat je hier een arme stoepmeid het leven staat te verzuren?"

„Natuurlijk, dat heb ik haar op voorhand gevraagd. En ze zei: ga je gang maar voor vandaag, het mag."

„Je liegt."

„Wedden om een zoen?"

„Neeë."

„Dan om een zoen en twee koeken, uit te betalen dit j aar Goudsche Malloot."

„Drie koeken."

„Aangenomen, m'n Engeltje." En meteen heeft de bakker die meid al gegrepen en omhelsd. En hij zoent haar tot ze er nat en bezweet van is.

„Vulik! Vulik!" gilt ze lachend. „Ik heb niet gewed om drie koeken en een zoen, alleenig maar om drie koeken met Goudsche Malloot af te geven."

,,'t Is dan echt schande, Engeltje, dat ik al die zoenen van je genomen heb."

,,'t Is meer dan schand, 't is zoogezegd smerig."

„Maar dan zal ik ze je eerlijk weerom geven, engel van een Engeltje. Kom hier!"

„Blijf je nou "fan me af?"

„Nee."

„Hier dan!' Ze heft een handputs die ze gauw vullen wil met water, ze buigt zich daartoe, maar is niet rap genoeg en wéér heeft de koekenbakker het vogeltje gevangen. Maar in de worsteling zwikt ze over