is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar klomp en. pletsend en plonzend rollen ze beiden te water. Daar drijven ze op de wetering, domweg hand aan hand, meid en bakker. En achter die twee dobbert heftig Pieter's mooie kaasbolletje, dat zijn baas verloren heeft en er nu achteraan danst.

Gerechtige goedheid, wat is daarom gelachen. Met den vaarboom werden ze aan land getrokken, Engeltje huilende als een schoolkind, de bakker barsch en ontdaan. ,,Ik ga alvast naar Johan om droge kleer! weet hij.

„En ik zal je natte Engel wel verder bezorgen," sust Christiaan de Raadt. „Hoor jij nu eens dikkerd "

„Ik gaan naar de pelisie. Zoo'n vuile moordenaar!"

,',Ja, je hebt gelijk, 't Is een echte moordenaar. Maar de politie is niet thuis, zus. Gunst, Engeltje, er loopt een waterkever door je haren, zoo'n groote, vette, glimmende, zwarte."

„Help! Helpt! Haal 'm er uit! Helpt!"

„Gil niet zoo, stuk onnoozelheid. Kom hier, zoo .... 't beesie is er al uit. Luister nou eens goed."

„Wou jij me óók al zoenen, vieze vent?

„Weineen kind, je bent me zoo te nat. Maar jij gaat lief naar Gijs van Jericho, je zegt gewoon dat je te water bent gevallen en hier is een rijksdaalder. Een heele riks voor jou, Engeltje. Wat zeg je daarvan?

„Een knap stuk geld en gauw verdiend.

„Dat meen ik ook. En 't is hartje zomer, je zult er

niets van krijgen."

„Heb maar geen bang. Geef op je geld.

„Hier kind. En... . mondje dicht."

„As je eerst m'n haar nakijkt, of d r nog water-