is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Willem Martens. „Want hij houdt staande, dat ik vrouwen heb en kinderen. Die arme waterbaars moet verandering van lucht hebben. We gaan betalen en op een ander. Koetsier .... is hier in deze wereldstad nog wat anders voorhanden?"

„In orde meneer! Als uedele betaald heit, rij ik er wel heen."

En ze belanden in De Doelen, alwaar Arend Vermey met glazige oogen zich neerzet op een parapluiebak.

„Wat is er met jou gaande, broer?" vraagt Chris, zelf ook wat aangedaan om deze betoonde smart.

„Ik zit hier zoo hard, o zoo hard," klaagt de getrouwe hengelaar, maar daar weet z'n voorzitter raad mee. Ze wankelen naar de tafel en nemen plaats op een stoel. „En nou zit je niet meer zoo hard, waar Arend? En verder heb je ook gelijk, Arend, bar veel gelijk heb jij, maar die anderen weten dat niet zooals wij getwee. Laten we nou eens optellen wat we hebben gedronken . . . ."

Arend zoekt naar z'n vingers, telt ernstig, begint overnieuw.

„Vijf," zegt hij eindelijk, ,,'t Zijn er vijf."

„Wat vijf?"

„Vijf vingers. Maar 't waren er meer die we gehad hebben! Ik kom vingers te kort, Chris. O, Chris, wat is dat toch erg, ik kom vingers te kort . . . ."

„En de arme menschen lijen honger, Arend."

„Ach die arme menschen!" aldus valt Willem ze bij. En de vier hengelaars drinken aangedaan, om 't schrikkelijke lot van de arme menschen. „Jij ook, koetsier," smeekt de bakker, „meedrinken koetsier.