is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jong bij dat Rotterdamsche lel vandaan, een kind met korte krullende negerharen .... één beentje. Vervloekt, hij is de vader geworden van een eenpoot Een eenpoot gelijk hij zelf is! Vervloekt; dat Rotterdamsche stuk onkruid vervolgt hem met haar vernielende werken door heel zijn bestaan ....

Maar hoè zwaar de last der gevolgen uit dien woesten tijd hem beklemt .... het was leven, levend leven. Er hing toen een jonge vrouw aan zijn hals, een lieve stem fluisterde warm in zijn ooren. En dat winkelkind uit de grossierderij, ze lijkt niet op die andere, hij hoeft door haar nooit te denken aan die andere; maar ze is blond, even zoo blond en ze is zoo gewillig, ja, daarin is ze als die andere. Maar deze is hem tevens zoo aandachtig toegenegen, zonder dat hij haar geld en goed en een schuit te verdobbelen aanbieden kan, zonder dat ze hem plundert en tot nieuwen ondergang voert. Deze meid wil met den zwarten eenpoot zoowaar door het leven. Ze ziet niet eens meer dat hij mismaakt is, ze ziet alleen zijn fraaien woesten zigeunerachtigen kop met de vurige oogen erin. Ze acht niet dat hij bonkend stapt, ze bewondert zijn hoogopgericht fier en krachtig lichaam. Die meid heeft natuurlijk ook wel andere jongens gekend, fabrieksvolk en handwerksgasten. Maar dat waren knechten met knechtenwil en knechtennatuur. Deze Peter is een arme zwoeger die langs de deuren leurt maar bezeten van den wil, een machtig rijk man te worden. Ze weet heel goed dat haar zwarte Peter nog niet eens zijn naam schrijven kan. Daar wil ze niet aan denken, haar Peter vermag een jonge meid in zijn armen bijna te verpletteren. En hij kan zoenen met