is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen haar rille mooi-wiegende heupen toen afgelegd» ze is in heerlijk jeugdig vertrouwen mee gegaan naar boven, naar het geheim van den jongen meneer. Neen, ouwe lappendief, dat heb jij zoomaar niet gedroomd — en nü droom je ook niet — maar het is gelukkig waar, 't is verrukkelijke realiteit. Want dat meisje der armen, dat jij a raison van enkele guldens in de week gehuurd heb en dat je verplicht haar voeten zeer te staan in je winkel, ze heeft een lichaampje, dat is gemodelleerd tot een perfecte jonkvrouwelijkheid, sterk en toch week. Hoe komt het, dat jij als schilder dat nooit gezien hebt? Deze matte zwarte bloem heb ik geschilderd. En ik weet niet waarin ik gulziger ben geweest, in het driftige schilderen, of het driftige zien. Er schoten vlammen uit je penseelen, ouwe sukkel. Dat heb jij natuurlijk nooit beleefd. Er hangen dan ook lapjes graslinnen voor je oogen, blind afgetakeld mijnpaard. En zeg me eens — van schilderkunst heb je toch zooveel verstand, je schilderde zelf toch bloemetjes en koperen kannetjes en zoo en een ongelezen oud boek in pergamenten band — heb ik dat blauw-zwarte zwart van dat onthutste winkelmeisjeskopje niet furieus op het paneeltje geworpen? Dat deed ik met het tempermes in groote vegen: kan je het zien? Ze groeide op dat plankje in enkele uren uit mijn vingers. Ik was dronken van dat wonder, wist zélf niet dat ik het al zóó heerlijk kon. Maar nu leeft ze daar op mijn werkstuk, ze leeft daar zoo wezenlijk, met wezenkracht van haar en mij dooreen. Sterker, wezenlijker, schooner dan ze is, verscheen ze. Heerlijker, blauwer, zwarter!

En als je me nu zeggen zou, vader: déze heerlijke

De Koets — 33