is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stemming. Zelfs zijn naam konden ze soms zoo eigenaardig uitspreken. Hij was daarbij hun ook wel eens voor, en zei: „Mijn vader zei, dat hij als boer reeds ver boven zijn stand was uitgegroeid: zijn vader was een schuitenmaker, misschien wel een trekschuitknecht geweest en zijn grootvader een schoenmaker; onze naam moest dus eigenlijk Schoenmaker zijn.

Het duurde niet lang, of de studentjes vergaten wel eens, dat ze eigenlijk te voornaam voor zulk een kameraad waren. Zij hadden hem te vaak noodig. Latijn en Grieksch was als gesneden koek voor hem. Ook andere colleges dan die in de theologie liep hij. Hij had min of meer honger naar wetenschap.

Die groote jongen met zijn ernstige, wijd openstaande oogen moest de aandacht trekken. Zijn oogen hadden wel niet dien magischen sluier, die bij zijn moeder voor sommige menschen tot magische kracht werd, maar ze waren sterk. Het viel op, dat hij ze nooit neersloeg, voor niets en voor niemand. Teruggetrokken was hij zeer, bleu niet in het allerminst. Het viel mevrouw Mobach al heel gauw op, dat in die oogen geen verandering te zien was, als een der jonkers in den familiekring een opmerking maakte, die getuigde van hoog-adellijke geringschatting van het burgermannetje. Toen mevrouw de moeder een paar maal ontmoet had, begreep ze den jongen.

Toen een der Jonkers het wat al te bar gemaakt had, zei ze even later tot Peter: „Ja, Schuiteman, de adellijke heeren zitten hoog te paard."

„Dat komt, mevrouw, omdat de adel daaraan geslacht na geslacht gewoon is geweest: de kinderen nemen het van de ouders over. Het zit in het bloed. Toch draven die paarden in Denemarken niet zoo hoog meer als vroeger. De beestjes verschrompelen wat. In elk geval maakt het op den beschouwer zoo den indruk, misschien omdat de paarden van anderen grooter worden." „De burgerpaardjes?" vroeg mevrouw lachend. „Ik bedoel vooral de handelshitjes, mevrouw!"