is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zei hij tegen haar, als wilde hij van zijn hooge standpunt uit een gunst verkenen, en zoo voor zichzelf den schijn redden:

„Vergeet thans een oogenblik, mevrouw, dat gij tot den koning spreekt, en doe het als tachtigjarige tegen een jongeren man."

Een harde trek kwam om haar lippen. Ze haalde een

paar maal zwaar adem. Toen sprak ze:

„Nog dit als onderdaan tegen den koning..."

Als moest ze elk woord uit de keel schroeven, zoo deed

ze zich pijn. Toen vervolgde ze moeilijk:

„Wanneer verlangt... mijn koning... dat ik... mijn zoon

zal bezoeken?"

„Morgen om dezen tijd. Maar het moet een afscheid zijn, mevrouw. Een afscheid voor het leven. En zeg hem, dat er nooit kans is op vrijlating. U begrijpt dat zeker zoo goed als ik, en hij ook, want ik ken hem te goed, dat het voor de rust in het land noodig is, dat hij niet vrij komt."

Hij zweeg. Zij sprak nog niet. Ze zocht steeds zijn oogen, die de hare trachtten te ontwijken. Dat ontging haar niet. Eindelijk zei ze:

„Goed, mijn koning. Het woord van den koning is mijn wet. U kunt tevreden zijn morgen. U moogt ons laten afluisteren. Uw woord is mijn wet. Ook uw bevel om te vergeten, dat de koning bij mij op bezoek is. Ook uw bevel, dat ik als tachtigjarige vrouw moet spreken tegen een jongeren man. Luister dan: Een zending had ik te vervullen. Het stond me duidelijk voor den geest, als meisje al. Een zending met mijn huwelijk, een zending bij de opvoeding van mijn zoon, die Denemarken moest opvoeren. En nu de allerlaatste zending morgen. Ook nu een zending met het spreken als mensch. Ik heb u gezegd, toen ik eens bij u op bezoek was, dat ik uw vader heb gerespecteerd, maar niet geacht; dat ik u respecteerde, en u achtte; maar nu zeg ik dit: gij zijt een lafaard. Een man, van wien ge afhankelijk waart, jaren, zonder wien ge niets kondt, ge hebt hem

9 Adelaarsvlucht