is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij sprak heesch. Hij had in zoo'n langen tijd niet gepraat. Hij bad lang, zeer lang. Blijkbaar had hij in de jaren alle begrip van tijd verloren. Tot z ij het „Amen' uitsprak.

„Kom, jongen. Nu gaan we nog even bij elkaar zitten praten. Nu is al mijn zorg weg. Als jij zóó met God kunt spreken, kan ik je laten gaan. Wat er komt, alles is goed. Mijn jongen is Gods eigendom. Er is maar één ding dat we nog bezitten in dit leven: Onze Heiland aan het kruis. Of het nu nog een dag, of een jaar of honderd jaar duurt. Hij heeft ons gekocht."

Hij zag nog een stoel in de kamer staan. Die had hij niet eens opgemerkt. Er was altijd maar één stoel in zijn kamer geweest. En nu twee? Hij ging naast haar zitten.

„Moeder," zei hij, „mijn grootste rijkdom is, dat u mij een Godvreezende opvoeding hebt gegeven; dat heeft me staande gehouden en zal me overeind houden, hoe lang het ook duren mocht."

„Dus is het offer van mijn leven aangenomen, en mijn zending volbracht. Ik moest je klaar maken voor ons dierbare vaderland. God heeft het offer niet geweigerd. Toen jij de taak volbracht had, deed Hij je vallen, jongen. Hij liet toe dat je zondigde, de zonde van machtlust, mijn kind, de zonde van je moeder, de erfzonde." „Ja, moeder," zei hij zacht.

„En heb je die voor God beleden?"

„Ja, moeder, vele malen."

„Ik wist het, mijn jongen, ik hoorde je telkens praten, terwijl je hier zat, en ik thuis."

„Ik wist niet eens, of u nog leefde, moeder." „De wreedaard, de lafaard!" riep ze met harde stem. Er werd aan de deur geklopt, de deur ging open, een bewaker verscheen, legde een couvert op tafel en vertrok weer zonder een woord.

jHet eerste teeken van leven, dat ik in deze kamer van buiten krijg in al die jaren," zei hij met iets schreiends in zijn stem.