is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Een paar opmerkingen. Oók drie. Nummer één: U vergist u, commandant, want ik zit hier als een zeer schuldige gevangene, want ik heb, als Mozes, willen heerschen in plaats van te dienen; God is rechtvaardig, ook de koning. Punt twee: Ik ben u zeer dankbaar voor de goede behandeling, die u mij doet ondervinden: alleen vraag ik me wel eens af, of u niet een weinig daarbij van uw instructies afwijkt. En punt drie: uw zoon zal ik heel graag onderzoeken, en u mijn oordeel zeggen, want ik wil u gaarne een wederdienst bewijzen voor alle onverdiende weldaden, die mij de Hemelsche Vader door uw hand en hart steeds geeft." De commandant sloeg van verbazing de handen in elkaar, en hij barstte uit:

„Man, wat ben jij voor een edel mensch! Jij bent een vrome, zooals ik er nog nooit een gezien heb! Dat zit in de allergrootste ellende en praat dan nog over dankbaarheid voor de weldaden. Ik begrijp niet, dat ik nog bij je durf te blijven. Eduard, mijn zoon, ik hoop dat als jij op den preekstoel staat, je dan aan de menschen zult vertellen, dat je eens iemand gezien hebt, die te goed was voor de vuile wereld in de hoofdstad en dat God dien man daarom in de reine zeelucht van de Drieschoor gebracht heeft. En dat was Ridder Daarnenburg. Ziezoo, vrouw; schenk nu eens een flink glas wijn in: daar in die mand in de kast staat een volle flesch, pas uit de stad gekomen." En met groot gebaar riep hij: „Een ridder drinkt geen water, die drinkt wijn!" Hoe de commandant ook tegenstribbelde, de gevangene wilde al heel gauw weer naar zijn eigen vertrek; hij was van de ongewone drukte zoo vermoeid zei hij. Waarschijnlijk was het den knappen, fijn beschaafden en teer besnaarden geleerde onmogelijk langer in deze wel goed bedoelde, maar toch voor hem zoo onaangenaam grove omgeving te blijven.

Hij kwam met moeite de trap op, waarvoor de commandant hem haast droeg. Den volgenden dag begon