is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

me dat nou, vader?" vroeg hij nog eens zacht, toen ze beiden onder het praten de trap opgeklommen waren en al voor de deur van meneers kamer stonden. „Belooft u me dat?"

De zoon kende zijn vader heel goed.

Eduard trad binnen, nog voor dat hij zijn moeder was gaan begroeten. De oude man zat wezenloos voor zich uit te staren bij het raam, het gezicht naar Eduard toe. Maar nauwelijks had hij gezien wie het was, die daar bij hem binnentrad, of hij deed beide magere handen voor de oogen, boog voorover, zei: „Och, mijn jongen," en begon te snikken als een kind van acht jaar. De bezoeker nam een stoel, en ging voor den ouden man zitten. Innig was hij met hem bewogen. Zijn vader waardeerde hij om 's mans goed hart bij al zijn eigenaardigheden, die feitelijk de gebreken van een kind waren; maar dezen man had hij innig lief, omdat hij in hem zag een volmaakt Christen, zoover een mensch volmaakt genoemd kan worden.

Zoo bewogen was hij met den man, waarvan hij dacht, dat hij door het vele peinzen zijn verstand verloren had, dat hij er niet toe kwam een woord te zeggen.

Eenige minuten zat hij zoo tegenover hem. De tranen biggelden den oude tusschen de dorre vingers door. Ze waren weer opgeroepen door de tegenwoordigheid van dien aanhankelijken jongen. Toen vatte de jongen, die tot man gerijpt was, de beide handen van den oude aan en trok ze voorzichtig van de oogen weg, wat deze toeliet.

„Och, mijn jongen," zei hij nog eens, en keek hem hulpbehoevend aan.

Nog kwam Eduard er niet toe, iets te zeggen. Hij kon geen woorden vinden, zóó was hij met den vereerden grijsaard begaan.

„Och mijn jongen, ik ben dagen lang radeloos geweest. Ik was radeloos geworden. Ik had het geloof verloren. Ik was mijn vertrouwen in God kwijt. Ik had niets