is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eduard hielp hem, en legde hem weer neer op den ruststoel.

„Och, jongen," zei de oude. „Dat gebed is in jouw mond onwaardeerbaar lieflijk en in mijn geheugen zoo meedoogenloos wreed."

„Zoo mijnheer," zei de jonge man, „nu moet u maar uitrusten, straks kom ik weer eens kijken."

Hij ging naar de deur.

„Hoor eens!" riep de oude, en toen de jongen terugkwam bij het bed, vervolgde hij: „Altijd heb ik me voor de menschen goed gehouden, ik heb gedaan of ik niet leed, volkomen tevreden was, maar hier in mijn hart heeft dag aan dag het verdriet gevreten en dag aan dag heb ik verlangd naar de vrijheid, toegestaan door den koning, maar dag aan dag heb ik geleden van de schrijnende smart, al die jaren lang, meer dan twintig. Eens moet ik het bekennen. Vroeger kon ik het zoo goed verzwijgen. In den laatsten tijd niet. Ik heb me zelf niet meer vast. En tegenover jou kan ik het heel niet meer. Jongen, dank God voor de gaven, die Hij in je borst gelegd heeft."

Toen maakte Eduard maar gauw dat hij wegkwam. Het was tijd, dat hij heenging. Want in de gang kwam hij zijn vader tegen. Die zou twee tellen later toch in de kamer verschenen zijn. Hij kon zijn verlangen niet meer bedwingen.

„En, heeft hij gepraat?"

„Ja hoor, en veel ook. Nu wordt hij wel weer beter." „Gelukkig, de stumper. En waar kwam het van?" „Door Prins Roelof. In den droom was het hem duidelijk geworden, wie het geweest was. Hij wist het nog niet, toen u het hem vroeg."

„En wat heeft hij gezegd?"

„Och, ik zou het zoo kunnen zeggen: Hij meent, dat hij gauw sterven zal. Dat is ook wel mogelijk. Een mensch die gaat sterven, maakt zijn testament. H ij heeft niets te vermaken. Maar nou heeft hij, door wat hij me ver-