is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven drijft

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE HOOFDSTUK

I

Dokter Gossey zegt tegen alwie het horen wil, dat weer en wind hem niet kunnen deren. Mijn vader was een boer, lacht hij, en gij weet wat zulks beduidt. Bij ongeluk werd ik geneesheer, doch het oude bloed vaart nog door mij. Laat de Winter maar komen! God heeft hem ergens voor geschapen!

Vroeger toen hij meestal te paard zijn zieken bezocht, kwam hij in het najaar dikwijls kletsnat tehuis. Waarschijnlijk was hij half versteven daarbij, doch hij liet het aan zijn hart niet komen. Toen hij de poort binnenreed zat hij te schreeuwen op zijn oude vos: „Hé, mannetje, waar zit gij? Tuur?" Waar zit de lammeling, brieste hij. En toen de lammeling uit de stal te voorschijn kwam, met dat nauw onderdrukt lachje op zijn gelaat, wierp de dokter hem de teugels toe. „Droogwrijven kerel!" beval hij kort, en zijn stem klonk tegen de muren op met dat hoge, felle geluid dat uit een klok scheen te komen en de geburen wakker maakte, toen hij 's nachts zijn erf binnenreed.

„Hoor, de dokter komt thuis!"

Tuur greep het paard, altijd met die zelfzekere lach van den man die weet dat de hond