is toegevoegd aan je favorieten.

Tusschen potten en pannen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heb na die eene kaart van de reis. Zij is er nu al veertien dagen, niks voor Ank. En zij liep vlug naar haar kamer om haar schrijfgerei te halen.

Beneden gekomen, zat Mevrouw bij den haard met een doos foto’s op schoot.

„Hè wat gezellig, hebt U zooveel kieken, mag ik straks eens zien?”

„Och jawel, als het U interesseert, maar ik wilde U eerst eens even zeggen, dat ik het heel vervelend vind, dat U zoo familiaar bent met het personeel.”

„Het personeel?” vroeg Lot verwonderd, „U bedoelt toch zeker niet P.S. ?”

„Ja, wie U met P.S. bedoelt, weet ik niet. Maar bent U nu een gediplomeerde huishoudster, om zóó weinig Uw plaats te weten tegenover het personeel?”

„Wel Mevrouw, het spijt mij erg, dat ik het niet met U eens ben, maar ik geloof, dat ik zelf toch ook wel eenigszins tot Uw personeel behoor. Tenminste, als U die kleine vlasstaartige Pleuntje daar ook onder rekent.”

„Dat moet U weten, Juffrouw van Welderen, of U zich daaronder rekent, maar als U in onzen huiselijken kring wenscht te blijven leven, wil ik niet, dat U zóó weinig Uw prestige tegenover het keukenpersoneel weet op te houden. U bent veel te familiaar met Pleunia.”

Och mensch, vlieg op, dacht Lot oneerbiedig en zweeg als het graf. Dat eeuwige gekift. En zij zette zich aan den brief voor Ank.

Het eene zijdje na het andere vloeide haar uit de pen, het ging als van zelf.