is toegevoegd aan je favorieten.

Speelmakkers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

DE EEKHOORNTJES

noten werd; maar die gissingen werkten niet storend op hun gemoedrust. Iets, dat zo dikwijls was voorgekomen, dat ze er al aan gewend waren geraakt, namen ze kalmpjes op.

„’t Lijkt wel of de noten allemaal van de boom afvallen en worden opgeraapt,” zei de boer, „maar er zijn geen jongens in de buurt!”

„Nee, er zijn geen jongens in de buurt,” zei zijn vrouw.

Soms liep de boer heen en weer onder de boom, en zocht op de grond naar afgevallen noten, en zijn vrouw deed hetzelfde, maar ze vonden nooit iets. Ze merkten het niet, dat vier heldere oogjes, vol waakzaamheid en slimheid, uit het een of andere verborgen hoekje onafgewend op hen waren gevestigd. Nu en dan zagen ze een van de eekhoorntjes langs de stenen muur glippen en dan keken ze er naar met die belangstelling, die altijd wordt opgewekt door een eekhoorntje, misschien omdat de vlugheid, waarmee het uit ’t gezicht verdwijnt, het in een waas van zeldzaamheid en kostbaarheid hult. Soms zag de vrouw van den boer er eentje rechtop op de muur zitten, stoutmoedig knabbelen op een noot, die het tussen zijn voorpootjes hield.

„Misschien heeft hij daar wel een van onze walnoten,” zei ze dan.

„Hij kan toch onmogelijk de hele boom leeg eten,” zei de boer.

„Nee, dat kan hij onmogelijk,” stemde de vrouw toe.

De buitengewone werkkracht van dit paar was voor hen een even diep geheim, als de hunne dit voor de eekhoorntjes was.

In de frisse heldere morgenuren kregen ze de eekhoorn-