is toegevoegd aan je favorieten.

Speelmakkers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

ZOMER

totdat ze zo’n nietig klein puntje werd, dat Roodborstje haar haast niet meer zien kon en bijna zijn evenwicht verloor met haar na te staren. En al vliegende zong ze aldoor.

O, wat was dat een heerlijk lied! Als ik je de woorden en het wijsje maar verhalen kon, zou je hart opspringen van blijdschap, ’t Was allemaal over zomervreugde en groene blaren en blauwe lucht en helder water en bonte bloemen en blijde zonneschijn; maar zo lief, zo lief, o, zo lief! Roodborstje sprong al maar heen en weer, nu eens op zijn Imkeren dan op zijn rechterpootje; hij probeerde zelfs een eindje mee te vliegen en er een tweestemmig liedje van te maken; maar hij was nu eenmaal geen leeuwerik en ’t lukte hem dus niet. Toen gaf hij ’t op en ging een paar duiven in ’t woud bezoeken, die grote vrienden van hem waren.

Lang voordat hij ’t bos bereikte, hoorde hij hun zachte „roekoekoe” al — en die duiven leefden nog wel in ’t hartje van het bos, tussen een paar hoge dicht bebladerde bomen, wier takken zich bogen over een diepe, koele bron.

Rondom de bron lagen grote bemoste stenen, en aan de ene kant stond een grote gebroken balk — daar had vroeger een kruis gestaan. De bodem was bedekt met mos en bloemen, kamperfoelie slingerde zich bloeiend en geurig van struik tot struik, en overal schitterden wilde rozen als rosé en witte sterren tussen het donkere groen. Men behoefde de duiven niet te vragen hoe zij het zomerweertje vonden!

„Roekoe! roekoe!” kirden ze, „Wat is ’t toch heerlijk in de stille diepe wouden, als de zon door ’t gebladerte straalt! De lucht is koel, het plassende water is koel en de grond schijnt te leven, zó dansen de schaduwen er op heen en weer. En boven dat alles straalt de heerlijke warme zon!