is toegevoegd aan je favorieten.

De kerstvacantie van de Kortenaertjes

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weest zijn, je zult eens zien, wat een enige neef het is.”

„’kZou maar oppassen met die rijderij,” mopperde Door. „Als je verdrinkt is ’t te laat.”

Hans trok Door plagend aan één van de mutsebanden.

„Er is nog niet eens ijs en nu maakt Door zich al bezorgd, dat we een nat pak zullen halen.”

Toen de koffers gepakt waren, moesten ze zich meteen uitkleden om naar bed te gaan. ’t Zou den volgenden morgen vroeg dag zijn.

„Mogen we nog even in de kamer komen, Moeke?” bedelde Hanneke. „We gaan zo lang weg.”

„Vooruit dan maar,” stemde moeder toe, „’t gebeurt ook niet dikwijls, dat vader zo rustig bij ons in de huiskamer zit.”

„Heeft U geen portret van Nono, Moes?” vroeg Hans.

Vader haalde een portretalbum voor den dag, bladerde dit door.

„Neen,” zei hij dan, „voor zover ik weet hebben we geen enkel portret van Nono. Hier is wel zijn vader, oom Albert. Kijk, met dien witten helm op en in jagerscostuum.”

De jongens bekeken nog eens het portret, dat ze al zo vaak bewonderd hadden. Het was gemaakt, toen oom den groten tijger geschoten had, waarvan het vel boven op Vaders spreekkamer lag.