is toegevoegd aan je favorieten.

De woestijnpiloten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WOESTIJNPILOTEN

van een naderende onweersbui te zien. Het weer was helder en stil, het uitzicht kon niet beter zijn. Maar het was ontzettend heet. Dug deed zijn earphones om en vroeg aan Lex:

„Wat is jouw mening, boy. Zullen we teruggaan?”

„Nog niet,” meende Lex. „Koers op die bergen daar af. Dat zijn de Hawaisj-bergen. Ik wou die graag verkennen en dan om het Zuiden heen terug naar Assoeit.”

Dug keerde en klom tot tweeduizend meter hoogte. Zij scheerden nu over bergruggen, naakte rotsen en steile kloven. Geen spoor van een levend wezen was er te bekennen. Zelfs plantengroei ontbrak. Alleen heel in de verte, naar het Zuiden toe, zagen zij een enorme vallei met palmbosjes.

Opeens hoorde Dug zijn makker zeggen: „Hallo Dug, daar recht vooruit, tegen die helling, zie ik iets liggen. Hier is de kijker.”

Dug greep de kijker en zocht in de aangegeven richting.

„Hij is het!” riep hij opgewonden uit. „Ik zie de letters van het toestel.”

Zonder aarzelen haalde hij de stuurknuppel naar zich toe. De „Libel” daalde, vloog rakelings langs een paar steile rotskammen en scheerde door een smalle kloof. Daar lag, schuin tegen een helling gekwakt, een vliegtuig als een grote, dode vogel.

„Een beroerde plek, Dug,” zei Lex. „Geen kans van landen daar.”

Het was maar al te waar. In de hele omtrek was geen plek, die ook maar de geringste kans bood om veilig te landen.

„Duik nog eens,” opperde Lex. „Ik ben benieuwd of hij een levensteken geeft.”

Vastbesloten drukte Dug de stuurknuppel weer naar voren. De razende motoren doken omlaag. Met