is toegevoegd aan je favorieten.

De kinderen van Jan Valentijn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRAM HEEFT EEN KOOPJE.

lijks gemerkt, hoe ongelijk de wegen waren, maar nu maakten ze werkelijk kennis met den provincie-weg! Ze moesten, er hartelijk om lachen èn Frans lachte maar mee. Na zoowat tien minuten gereden te hebben, waren ze weer bij de garage aangeland.

„Hoeveel zei je ook weer?” vroeg Bram.

„Vijf-en-twintig gulden met nieuwe bougies en een carburator,” sprak Frans.

„Top... aangenomen... verkocht!” zei Bram.

Fred begon opeens hartelijk te lachen.

„Maar kerel,” sprak hij, „wat moet je met zoo’n koffiemolen in de stad beginnen? De menschen zullen je uitlachen!”

„Laat ze lachen,” zei Bram. „Luister, Frans. Ik weet net zooveel van automobielen af als mijn grootmoeder. Kan je dit makreelen-blikje aan mijn huis bezorgen, als ik je vijf gulden meer geef?”

„Dat, zal waar zijn,” beweerde Frans. „Morgen ochtend?”

„Fijn. Om twaalf uur. Mijn heele spaarbankboekje zal eraan moeten gelooven, maar dat is minder.”

Zoo werd dan afgesproken, dat Frans de Ford aan Brams huis zou afleveren en na nog eenige oogenblikken met Frans en zijn moeder vertoefd te hebben, begaven Fred en Bram zich weer op weg naar huis, belovende, dikwijls terug te zullen komen.

„Sjongen, Fred!” riep Bram uit, zijn vriend op den schouder slaande, „wat zullen we 'een keet hebben met dien koffiemolen!”