is toegevoegd aan je favorieten.

De kinderen uit het Laurierstraatje

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Juicht mannen, juicht,” riep Bartje plotseling. „Ik vind hier nog ’n pak!”

„Hoei! Hoei!” kreten ze nu.

Piet drong zich naar voren; nü zou hij dan eens zien!

Maar Tom stond, zenuwachtig gejaagd, op de voorste rij.

„Nou opgepast, mannetje,” zei hij tegen zich zelf.

Bram sneed de touwen los. En nu zagen ze:

„’n Poppenkop!”

Ze schaterden het uit.

„Die haren!”

„En die ogen!”

Bram liet de ogen open en dicht gaan!

„’t Is ’n Sphinx,” verklaarde hij. „Misschien is deze kop duizenden jaren oud.

De anderen knikten en Tom vond het niet nodig te zeggen dat Beppie ze ’n paar maanden geleden als nieuw gekregen had.

’t Zou de plechtige stemming bederven.

„’n Kopje!” verkondigde Bram. Niet onwaarschijnlijk dat Jacoba van Beieren er misschien nog uit gedronken heeft.”

In stille bewondering staarden ze naar het kopje zonder oor, misschien nog vers uit ’n bazaar.

„Hier mannen, kijk en verheug U, ik vind een zakmes!”

„Hoei! Hoei!” gilden ze weer. „Wellicht afkomstig van... van... Keizer Barbarossa!”

„Onderzoeken! Straks! We gaan door.”

Nu ging het komen! Nu trilde Tom op zijn benen van opgewondenheid!

Hij zag hoe Bram het doosje op nam. .. .’t Opendeed en...

„Neen maar! Daar zit geld in!” riep hij verbaasd.