is toegevoegd aan je favorieten.

De kinderen uit het Laurierstraatje

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zou het ’n mens of ’n dier wezen?”

„Laat ons gaan kijken!” zei Wampus. „Nacitima, sta op, wij moeten als opperhoofden de kinderen en vrouwen beschermen. Kom, ga mee, al zou het gevaar nog zo groot zijn!”

„O Wampus!”

„O Nacitima!” huilden hun vrouwen.

Maar de mannen stonden op, hielden 'hun handen aan ’t zwaard en verlieten de tent.

De voetstappen naderden, de kaarsjes wapperden, de stompjes dreigden uit te gaan. Zou het dadelijk helemaal donker wezen! En . . . wie of wat kwam er aan?

„Hallo, jongens, waar ter wereld zitten jullie toch,” klonk er een vrolijke stem.

„Hein,” zeiden ze. „En Doms! Hemeltje, ben jij hier?”

„Zoals je ziet! We liggen even voor anker en nou kom ik jullie eens gauw opzoeken. Maar... wat zien jullie er raar uit! Wat doe je?”

„En kaarsjes! ’t Is toch zeker nog vol-op licht!”

„Mannen, zien jullie dan niet dat je in een Indianen kamp terecht bent gekomen”

„Wij zijn geen gewone Blanken meer! Wij zijn de volks-stammen der Tewa’s en Navajo’s!”

„A ha! <Nu beginnen we' te begrijpen, niet Hein!”

„Ik kom er achter! Is dit jullie hol!”

„Je ziet het!”

„Nou maar, jongens, ik zal je eens wat zeggen. Als je een goed hol wilt hebben moet je dat anders aan leggen. Op deze manier kom je er niet. Je moet stenen hebben. Dan kan je boel niet iederen keer in zakken! Dan maak je ’n soort rots!”

„Stenen! Hoe komen we daaraan?”