is toegevoegd aan je favorieten.

Nienke van Hichtum vertelt weer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE OLIFANTENSTAD

II.

teken waaruit ze konden opmaken, eindelijk den rechten weg terug te hebben gevonden.

’t Begon te schemeren — ’t werd nacht; ze zochten een mossig plekje aan den voet van een hogen boom op, en vielen weldra in slaap.

Den volgenden dag zetten ze hun tocht voort — maar al verder en verder verwijderden ze zich van hun dorp.

Honger en dorst leden ze natuurlijk ook, want nergens zagen ze een dier, waarop Doedoe jacht kon maken — en van water geen spoor.

Ja, af en toe hoorden ze wel eens even de lichte voetstappen van een vluchtende antilope, of ze zagen een wild zwijn haastig voorbijrennen, maar in een dicht woud als dit hoort een dier de naderende voetstappen van een jager lang vóórdat deze de kans heeft om zijn wapen te gebruiken.

Deze geluiden hadden voor hen dus geen ander gevolg, dan dat ze aldqor angstiger werden. Zo ging de tweede dag van hun zwerftocht voorbij en toen ze zich ’s nachts weer te slapen legden, voelden ze hun honger en dorst steeds heviger knagen.

Eindelijk, tegen ’t midden van den derden dag, kwamen ze op een open plek, omgeven door een breden grasrand — en op ’t zelfde ogenblik ontdekten ze allebei tegelijk een grazenden buffel.

„Vlug!” riep Doedoe tegen zijn vrouw, „verstop je daar!”

En, nadat hij twee van zijn scherpste pijlen had uitzocht, sloop hij dichter naar den buffel toe en trof hem met zijn pijl. Zó diep drong die in het zware lichaam door, dat hij als ’t ware rondom in ’t vlees begraven was.

Terwijl het dier nu, schokkend van de hevige pijn, omkeek om te ontdekken wie hem zo plotseling had aangevallen, schoot Doedoe z’n tweeden pijl af, die het beest in de luchtpijp trof, zodat het moest stikken.

Nu hadden de vluchtelingen dus vlees om te roosteren en aan een beekje, dat ze nu pas ontdekten, vonden ze ook eindelijk gelegenheid om hun dorst te lessen.

Doedoe sneed een paar grote stukken vlees af, terwijl Salimba achter een dichte heestergroep een vuurtje aanlegde van de vele dorre takken, die rondom verspreid lagen.

Ze braadden het vlees en aten er van naar hartelust. Daarna stookten ze hun vuur nog wat op, en gingen liggen slapen.