is toegevoegd aan uw favorieten.

De mythen van Griekenland en Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wateren stegen al hooger en hooger, overstroomden hen achtereenvolgens in hun vruchtelooze pogingen den dood te ontkomen, bedekten de woningen, waarin zij zoo gelukkig hadden kunnen zijn, en smoorden hun laatste wanhopige kreten in de kokende diepten.

Geen berg of dal is meer te onderscheiden,

Geen bloeiend landschap kan meer 't oog verblijden,

En bijna al wat leeft, vindt in den vloed den dood." Ovidius.

Deucalion en Pyrrha.

Voortdurend bleef de regen vallen, totdat na verloop van langen tijd de golven de geheele oppervlakte der aarde bedekten, behalve den top van den Parnassus, den hoogsten bergtop in Griekenland. Op dien berg stond, omgeven door den nog altijd stijgenden vloed, de zoon van Prometheus, Deucalion, met zijn trouwe gade Pyrrha, een dochter van Epimetheus en Pandora. Van dien bergtop af overzagen zij, de eenigen, die den ramp hadden overleefd, de algemeene verwoesting met oogen, door tranen beneveld.

In weerwil van de algemeene verdorvenheid was het leven van dat paar altijd rein en deugdzaam geweest; en toen Jupiter hen daar alleen zag staan, en zich hun vroomheid herinnerde, besloot hij hen niet te doen deelen in de algemeene verwoesting, maar hen in het leven te laten. Daarom droeg hij de winden op, in hun hol terug te keeren, en beval hij den regen, op te houden. Ten gevolge van dit besluit liet Neptunus een luid klinkend geschal op zijn zeehoren hooren, om de ver verspreide golven terug te roepen, die onmiddellijk binnen haar gewone grenspalen terugkeerden.

Deucalion en Pyrrha volgden de zich terugtrekkende golven stap voor stap langs de steile helling van den berg.

„Wel was na korten tijd het water weer verdwenen,

Maar treurig was het beeld, door 't zonnelicht beschenen.

Ontzet was de natuur bij d' aanblik, dien zij bood.

Een woestenij gelijk, een stilte van den dood." Ovidius.