is toegevoegd aan uw favorieten.

De mythen van Griekenland en Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht door Minerva, die, aan den oever van een kleine rivier gezeten, haar krachten op de fluit beproefde. Toen zij zich voorover boog over de heldere wateren, zag zij plotseling in den stroom haar opgeblazen wangen en verwrongen gelaatstrekken, waarop zij verwoed haar fluit in het water wierp, en de gelofte aflegde, dat zij dat instrument nooit meer zou aanraken.

„Weg, roover van mijn schoonheid, weg !

Waarom zou ik door bolle kaken,

Mijn schoon gelaat afzichtelijk maken?" Melanippides.

Door het plotseling staken van de muziek, die hem zoozeer in verrukking had gebracht, schrikte de jeugdige Marsyas op uit zijn verstrooidheid, en keek om zich heen. Hij zag toen, dat de weggeworpen fluit langzaam langs zijn voeten den stroom afdreef. Het instrument te grijpen en het aan zijn lippen te brengen, was het werk van een oogenblik; en nauwelijks had hij er in geblazen, of de tooverachtige melodie werd weer gehoord. De herinnering aan zijn herderlijke plichten was niet in staat Marsyas weg te rukken van zijn juist verworven schat; en zijn bekwaamheid in het fluitspel nam zóó snel toe, dat hij onuitstaanbaar verwaand werd, en er op pochte, dat hij met Apollo kon wedijveren, dien hij dan ook feitelijk uitdaagde tot een muzikalen wedstrijd.

Daar Apollo hem gaarne voor zijn aanmatiging wilde straffen, verscheen hij, vergezeld door de negen Muzen, de beschermgodinnen der muziek en van den dans, voor den fluitspeler, en daagde hij hem uit, zijn pralende woorden waar te maken. Het eerst werd Marsyas uitgenoodigd, zijn talenten ten toon te spreiden; hij had de genoegdoening, dat hij allen door zijn melodieuze tonen bekoorde.

„Zóó lieflijk als alleen de zephyr zich doet hooren,

Des zomers diep verborgen in het riet,

Waar 't ruischen in het bosch den stervling kan bekoren,

Zingt nu op rieten fluit de speler 't heerlijkst lied.

En als weerklinkt zijn zang, die kracht aan schoonheid bindt,