is toegevoegd aan je favorieten.

De roep van de zee

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Boven de huizen links stak, een eind verder, een kolossale schuur uit en uit het dak van die schuur steeg hier en daar rook op.

Trekkers en duwers spanden zich op dit gezicht nog eens extra in en even later werd halt gehouden voor een breed en hoog ijzeren hek.

Van den eenen wagen werd de pomp afgeladen, die ze aan den waterkant in orde gingen maken.

De spuit en de andere wagen verdwenen met hun bemanning door het ijzeren hek, dat aanstonds weer gesloten werd, en het volk en de jongens, die gehoopt hadden met hun neus vlak bij den brand te komen, konden voor de tralies blijven staan.

Aan eiken kant van het hek posteerde zich een agent en — of dit nog niet genoeg was! — één van die twee was Sander de diender, die zóó den wind onder oud en jong had, dat hij alleen en met open hek de nieuwsgierigen wel van den brand had teruggehouden.

Henk, die naast zijn wagen naar binnen was doorgeslipt, kwam na een oogenblikje met een lang gezicht terug. En nu konden hij en Krijn met de jongens, die niet weggingen of bij het pompen gingen helpen, door het hek naar het rookende dak staan kijken.

Maar hier hadden Henk en Krijn gauw genoeg van.

,,'t Is rook en 't blijft rook!" begon Krijn te pruttelen. ,,'k Zie geen vlammen."

„Die komen ook niet!" zei een jongen naast hem. „Kijk hem daar maar 's!" En wat zagen Henk en Krijn?

Aan den anderen kant van de schuur was een spuitgast met de pijp van de spuit onder zijn arm naar boven geklommen en schoot over de pannen een dikken waterstraal, die sissend in damp opging.