Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sloeg de regen met kracht en kletterend neer en huilde de wind. In een seconde was de kalme zee veranderd; woeste golven met witte koppen kwamen aanrollen, waartegen de matrozen in de vlet haast niet op konden roeien. Steeds keek een der officieren naar haar uit, uit vrees, dat zij weg zou drijven, en men haar uit het oog mocht verliezen. Eindelijk was zij zoo dicht genaderd, dat men haar een lijn toe kon gooien en kwamen de mannen behouden aan boord. In zulke oogenblikken, waar het op vlug handelen aankomt, waren de Javaansche matrozen weinig waard, zij raakten zoo gauw in de war. Nog zie ik boldingh en hoorens van heyningen voor mij, den eenen op de hakspier, den anderen in de jol, zelf bezig dit vaartuig vast te maken, dat de verschrikte matrozen tegen het schip zouden hebben laten stuk slaan niet uit onwil, maar omdat zij „kapala poesing", den kop kwijt waren.

Laat in den namiddag, toen de bui bedaard was, kwam de radja aan boord van een der duikerscheepjes ons nog een bezoek brengen. Zijn schranderheid was inderdaad groot voor een vorstje van zulk een ver afgelegen eiland; hij was zelfs te Batavia geweest op de school voor de doctor djawa's, maar had zijn studies niet voltooid; voor hard studeeren was hij dan ook blijkbaar niet in de wieg gelegd. Thans wilde hij een zijner zonen naar de doctor djawa school zenden. Hij sprak met vermakelijke gewichtigheid over de heeren WlCHmann en ten Kate, die zijn eiland bezocht hadden, en „nog zoovele toewan, toewan meer!" Toen hem zijn naam gevraagd werd, nam hij een stuk papier en schreef vlot mesjakt.

De duikers in de Boeka-baai hadden wel niet veel, maar mooie en interessante dieren opgehaald, o. a. helkleurige sponsen en eene meer dan zes meter lange, zweepvormige polypenkolonie van Cirrhipathes.

Dergelijke nieuwe vondsten werden altijd door ons op hoogen prijs gesteld, want onder de expeditie-leden liet deze of gene zich nu en dan al eens ontvallen, vooral

Sluiten