Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken, toen de uitgemergelde bodem weigerde het zaad te laten kiemen. Ze hadden toen dat alles zoo gekten. In den regen waren de huizen verrot en verdwenen en de weelderige, maar al het zwakkere verstikkende plantengroei had de tuintjes overwoekerd. Nu was er niet meer dan dat stuk heg, die paar vruchtboomen en het kerkhofje, dat alleen nog wachtte op het vergaan van de plankjes en de resten pajong om weer geheel gelijk te zijn aan het overige landschap; een droevig zieltogend overblijfsel van menschenbestaan, dat beschermingzoekend teruggleed in den liefdevollen schoot van deze aarde die hier nog de sterkere, de uit God geborene, de ongeknechte oermoeder was.

Tusschen den vulkaan en de vlakte kronkelde in een diepe geul, en door sierlijk wuivende bamboestruiken verhuld, de rivier. En boven dit alles was de geweldige in zonnegloed schroeiende hemel.

Over het grasland dwaalden kudden karbouwen Logge, voorwereldlijk lijkende beesten, die hun grauwe trage, bemodderde lijven langzaam voortbewogen en den machtig gehoornden kop alleen maar Heven om droomeng te staren naar het verre blauw van den vulkaan of over de wijde, wijde vkkte, die gloeide en leek te trillen in den zengenden zonneschijn.

Onder de soendaneesche jongens, die de karbouwen hoedden, was ook Roeki. Hij zat net als de anderen op den breeden karbouwenrug en zijn donkere geheimzinnig-ernstige oogen droomden verforen in den heeten zonnigen dag. Zijn rank, licht bruin lichaam was bijna naakt; hij droeg alleen een kort, gescheurd en haveloos broekje dat met een inelkaar gedraaide reep boomschors omzijnlendenen was vastgesnoerd, nét onderden uitpuilendenrijstbuik.Zijnstugzwarthaargroeidewildenover-

Sluiten