Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loos en lamgeslagen lag de natuur in de verblindende gloeiing, die als gele koperen strepen uit den hemel neerviel. De wind had zich geborgen. Doodstil verrees aan den einder het oerbosch. Roerloos stonden de hevea's met slap neerhangende blaren. En zwijgend, gedrukt door de groeiende hitte, deden de koehes hun taak, af en toe, met een tot gewoonte geworden beweging, de lekkende droppels van hun gezicht vegend.

Even keek Roeki op naar den hemel. De groote, witte wolken schoven op en over elkaar. Torenden tot ontzettende stapels, die dreigend boven de platte wereld uitrezen. Grauwe vlekken kwamen in die wolkenmonsters werden loodgrijs, dan bijna zwart. Een

woeste, doode kleur, die zijn vaalheid op de aarde neerwierp. Het werd alles toonloos, veeg.... En de stilte en de hitte groeiden tot een onheilspellende doodschheid. Daarachter brandde de zon, stak met scherpe stralen door de wolken naar de gloeiende aarde.

„Het gaat onweeren," zei Roeki stil. Naast hem werkte Kromoredjo.

Kromoredjo vorderde maar langzaam. Om zijn voet had hij een lompigen lap gebonden. Hij had zich gestooten aan een verborgen, scherpe houtpunt, had een diepe wond tusschen twee teenen in. Al een week etterde die, grooter en grooter wordend, vretend in het roode, ontstoken vleesch.

„Heb je pijn?"

„Ja...."

„Waarom vraag je geen obat aan den mandoer?"

„Als de mandoer het ziet, zegt hij het tegen mijnheer en dan moet ik naar het hospitaal."

„Br ben bang voor den dokter," zei Roeki.

,Jk ben ook bang. Daarom zeg ik het niet."

Ze zwegen even. Heel in de verte rommelde het. Heel ver, achter het bosch, alsof een groot beest daar

Sluiten