Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XV.

DE VRIJE SUMATRAAN.

Tot in het begin der negentiende eeuw had op het schoone, uitgestrekte eiland Sumatra de inheemsche bevolking volgens de oude landsinstellingen, vrij van allen dwang, tevreden, gelukkig geleefd.

Was Sumatra inderdaad zoo schoon? — Ja! nog schooner dan Java, dat een Eden is, en veel grooter bovendien, 't Was een prachtig land met een ongeloofelijk vruchtbaren bodem/ die zich hier zacht, elders stout boven de oppervlakte der zee verhief en op onderscheidene plaatsen zelfs de wolken kuste; een heerlijk land met lachende dalen vol leven en zonneschijn, rijk aan allerlei levensbronnen; met onafzienbare wouden, trotsche rotsmassa's en vuurspuwende bergen, hier en daar afgewisseld door peillooze meeren van een verrassende schoonheid.

En de Sumatraan, kon die waarlijk zoo gelukkig heeten?—-Ongetwijfeld. Wat kon hij meer verlangen? Hij was immers "vrij in den volsten zin des woords. De kampong dien hij bewoonde maakte een zelfstandige, onafhankelijke republiek uit; het hoofd dat recht sprak, had hij zelf gekozen; en het recht dat gesproken werd steunde op aloude maleische gebruiken die hij liefhad, die hem heilig waren. Maakte zijn kampong eenig deel uit van een landschap dat uit meerdere kampongs bestond, vrijwillig, door een bondgenootschap dat het algemeen belang bevorderde, had men zich tot één geheel vereenigd.

Sluiten