Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schenken gewisseld; men scheidde na deze eerste kennismaking als goede vrienden; maar weldra bleek het, »dat eene vestiging

O

op het grondgebied van den Panembahan bij de uitvoering niet zoo gemakkelijk zou zijn, als men na de schoonklinkende belofte van den machtigen vorst had mogen verwachten". Op de terugreis stierf Von Zurck aan den rooden loop.

Inmiddels was de diensttijd van Both verstreken en werd hij, zooals wij reeds zagen, door Gerard Reynst vervangen, die reeds den 5den Februari 1613 benoemd eerst den 5den November 1614 het bestuur aanvaardde. Reynst was tijdens de eerste tochten der Nederlanders bewindhebber van de Brabantsche Compagnie en dus goed bekend met den handel op OostIndië. Op voordeelige voorwaarden benoemd en vóór zijn vertrek met eerbewijzen overladen, stak hij in Juni van 1613 in zee' en zond Pieter van den Broeck naar Mocha in Arabië, »waar deze de eerste Nederlander was, die met de koffie kennis maakte".

Dat Pieter Both niet ten onrechte de lasten zwaar noemde, die Jan Pietersz. Coen als Directeur-Generaal van alle kantoren in Indië en president van die te Bantam en Jacatra, »op zyn hals zou hebben", zou deze maar al te spoedig ondervinden. Wel was er onder Both eenige verbetering gekomen in het personeel van de ambtenaren der Compagnie, maar de algemeene toestand van handel en bezittingen liet nog veel te wenschen over. De in 1609 ingestelde Raad van bestuur over geheel Indië had tot nu toe geen of weinig nut gesticht, en de reden lagf voor de hand, althans voor Coen.

Vooreerst was het getal te klein van personen in Indië, voor die betrekking geschikt, en vervolgens waren, zooals wij reeds opmerkten, de Gouverneur-Generaal en zijne Raden te veel over geheel Indië verspreid, omdat er nog geen vaste zetel der Hooge Regeering gevonden was. Recht op het doel af, zonder de kleinzeerigheid der zich voelende en daardoor zoo lichtgeraakte Heeren Bewindhebbers te ontzien, wijst Coen op de wonde plek van het bestuur in Indië en op de benepen schrielheid, waarmede zij een zaak, van zoo overwegend

Sluiten