Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PIONIERSWERK

hebben van het dragen van lasten en eenvoudig weigeren, wanneer iets te zwaar is. Nu was er in die dagen te Waingapoe geïnterneerd een „koningsfemilie" van Timor, familie van den Keizer van Sonnebait. Deze menschen moesten voor eigen levensonderhoud zorgen en honger dwingt de menschen wel tot werken. En zoo belastte zich deze koninklijke familie met het opvoeren van de bouwmaterialen.

Langzaam ging de bouw, tergend, langzaam, want voor een kwartje per dag werkt men niet hard, de Soembanees nog minder dan de Savoenees. En zou men meer betalen, dan zou men nog minder uitvoeren. Hij zou denken: die mijnheer is zoo rijk, dat het niet betamelijk is zich voor hem in het zweet te werken, dat zou niet deftig zijn.

Zoo eischte dus de bouw veel tijd en veel geduld, maar tegen September kwam het huis onder de kap en kon gedekt worden met alang-alang. Toen het huis bijna gereed was, deed zich iets voor, waarop eerst weinig acht werd geslagen, maar dat toch later van meer beteekenis bleek te zijn. Op zekeren morgen het erf opkomend, zagen wij dat een gedeelte van de omheining was omgekapt en tegen den grond geworpen. Zeker kwaadwilligheid van enkelen om te uiten hun afkeer van al wat witte vreemdeling is, zoo dachten wij. De omheining was weer spoedig hersteld en het heele voorval vergeten. Tot enkele weken later de „tweede ramp" kwam. Rustig in het kleine wiebelende voorgalerijtje van het huisje op palen gezeten, werd in de Savoeneesche kampong, anders *s avonds zoo rustig, druk gepraat en geloop gehoord. Met ontstelde stemmen en gebaren liep men door elkaar en ieder keek of wees in de richting van Pajeti. De hemel was rood gekleurd in het nachtelijk donker — brand. En al spoedig kwam een ruiter te paard aansnellen met de tijding: het huis van mijnheer staat in brand.

Terstond werd last gegeven mijn paard te zadelen — er heen en zien wat er te doen is. Maar reeds in het zadel gezeten, werd ik terug gehouden door de waarschuwing der menschen: niet gaan; het is levensgevaarlijk; wie weet of in het nachtelijk donker de Soembanees niet in hinderlaag ligt.

Het was een verstandige raad, want te redden zou er toch niets meer zijn en de volgende morgen zou wel licht brengen in het hoe en waarom.

De bewaker van het huis, die des nachts het ledige erf verzorgde, deed een verward verhaal, hoe 's avonds tegen een uur of acht een paar gewapende ruiters het erf kwamen oprijden, hem, die het huis bewaakte met hunne lansen bedreigende. Te paard gezeten blijvende, haalden ze lucifers uit hun gordeldoek, staken het dakriet in brand, wachtten een oogenblik tot alles goed vlam had gevat en verdwenen toen in het duister.

Sluiten