Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan de vorige reis toen we er 's nachts èn in een dikken mist langs voeren. En 't was misschien wel mooier, zóó, dan 't overdag zou zijn geweest.

Mondschei n-S o n a t e op het water. De mast, de luchtkokers, de laadmasten, het ankerspil, het tuig, die brokkels en stompen en draden altegaar op 't voorschip, snijden zwarte gaten en strepen in den bleeken nacht. En de boeg strijkt, op de snaren van de preutsche plooitjes eener kabbelende zee die hij zoo kreukt, in 't rhythme van de schroef de zachte melodieën van zijn plassend schuim. Mondschei ns o n a t e op de zee.

Hoe anders is de maan toch op de zee dan op het land. Daar vult ze (als ze vol genoeg is) met haar melkkcht wel de lucht, maar in de boomen, tusschen huizen, achter heiningen, in slooten, wordt die melk gestremd, gescheiden en gebrokkeld, uitgeschaakt in zwart en wit. Hier is ze overal want ze overdampt de zee met witte schemering, egaal, gelijk de lucht, 't Is al gedompeld in haar koelte.

En hoe meer gemeenzaam is ze ons dan de zon. „W i e a nders mutet mir dies Zeichen a n!" De zon, die opstaat als een vuur en ondergaat in vlammen, de felle zon die „schreitet her gleich wie ein Hel d," die is wel 't wezen van onze aardsche levenskracht — we zouden kunnen leven zonder maan, niet zonder zon — wel rijk en goed maar tevens zóó ontzaglijk (Indië weet dat nog het best), dat we soms zuchten en dat de aarde wel eens krimpt en barst door zijn ('t woord zon moest mannelijk wezen) wat al te heroïeke liefde.

Maar de maan, die men zoo veilig kan bekijken, vlak in haar gezicht dat ook niet altijd eender is zooals het vlammenaanschijn van de zon! De maan, die groeit net als een mensch en krimpt en uitdooft, als een mensch; die groeven in haar facie heeft, bolten en holten waarin we zelfs figuren zien — in Indië vond ik 't „mannetje" tot een koninginnetje verschikt dat op een troon zit met een kroon op 't hoofd en een scepter in

Sluiten