Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nogmaals boog hij voor mevrouw en Annie, toen hep hij naast Lien de trappen af. In het donker van den avond verdwenen hun lange gestalten tusschen de boomenrijen.

Een oogenbhk bleven ze stil voortloopen . . . uit de verte drong het getrappel van paardenhoeven tot hen door . .. het geratel van vele rijtuigen daar doorheen. Vredenburg nam Lien's hand — trok haar arm door den zijnen.

— Wat heb ik naar je verlangd kind — begon hij. Lien's hand beefde op zijn arm. Zij moest zwijgen — anders zou ze geschreid hebben van vreugde en weemoed tegehjk.

„Zaterdag moet je al weg, en hoe lang zal het dan duren, vóór we elkaar zien? Zul je me alles, alles schrijven kind? Ik moet weten hoe jij het daar in je eenzaamheid maakt. Als ik hoor wat mijn standplaats wordt zal ik 't je dadehjk schrijven. Maar luister eens Lien, kunnen we elkaar nog niet eens ontmoeten vóór je weggaat?"

Zij waren nu aan den uitgang gekomen, en keerden terug... onder de groote koningspalmen bleven ze staan in den donkeren tuin. Lien het nu zijn arm los. Hij legde zijn handen op haar schouders en keek haar recht in de oogen.

Plotsehng trok hij haar hoofd naar zich toe en drukte zijn hppen op haar voorhoofd . . .

„Lien ik weet werkehjk niet, hoe ik zonder jou verder moet" — zei hij, met moeite zijn aandoening beheerschend.

„En toch moet het, Wim. Wij zullen elkaar geregeld schrijven. Ik kan en mag je niet meer beloven nu. Ik weet wel, dat ik me zonder jou verschrikkelijk alleen en moedeloos zal gaan voelen ... maar gelóóf me .. . geloof me Wim, ik zou tóch niet gelukkig zijn als ik nü al beshste ... Ze keek hem in de oogen... haar gezicht was bleek. Met krachtige zelfbeheersching weerhield ze haar tranen..."

„Ik weet het kind — stil nu — ik zal niets meer vragen... je hoeft me niet alles uit te leggen. Ik houd alleen teveel van je om je nu zoo maar makkelijk af te kunnen staan.

Kijk me aan Lien ... ja zóó. Zóó zal ik je steeds voor me zien . . . Dag hefste, hefste . . . Hij drukte haar handen, kuste haar nogmaals."

„Wim, ik moet gaan ... ze wachten met het eten. En meneer Banninga kan elk oogenblik thuis komen. Morgen zal ik zien of

Sluiten