Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te herinneren. Maar de oude kennismaking werd opgehaald, verlevendigd door allerlei herinneringen uit Amsterdam, van vroeger en later. Ze voelden sympathie voor elkaar. Heel dikwijls konden ze niet samen komen, om 't vele werk, maar nu en dan deden ze samen een lange wandeling en hielden ze belangrijke gesprekken. Scheffelaar was van huis uit een geloovig jongmensen, had zijn overtuiging behouden, ook in Indië en hield die standvastig hoog, waar het te pas kwam. Hij wist reeds hoe Vredenburg er over dacht — en al vermeed hij ook er öl te veel over te spreken, toch wisselden ze wel eens van gedachten over religieuze onderwerpen.

Scheffelaar, die een eenvoudig maar krachtig geloof bezat, voelde sterke sympathie voor zijn cohega. Hoopte, dat hun omgang hem tot de oude paden terug zou voeren.

Zijn vrouw en hij toonden veel belangstelling in den eenzamen vrijgezel, voelden bij intuïtie dat hij niet uit vijandschap zich verre hield van den omgang met de christenen in Indië. Vredenburg's laatste woorden bevreemdden Scheffelaar. Wat kon hij te vertehen hebben?

— Wat bedoel je? vroeg bij.

— Wel, ik moet je iets meedeelen. Wij gaan als vrienden met elkaar om, nietwaar? Jij en je vrouw hebben me laten voelen, dat je niet onverschillig bent voor mij ... ik wil niet dat jullie iets, wat me heel na aan 't hart ligt, niet weet. 't Is ook voor later, dat ik het je hever vertel .. .

— Vindt je goed dat we oploopen? Dan praten we onderweg wel verder, zei Scheffelaar.

Onder den indruk van wat zooeven gezegd was, vergat Scheffelear een oogenbhk zijn zieke kind ... was hij heelemaal bij Vredenburg's woorden.

Deze nam Annie's portret van het schrijfbureau, het het aan Scheffelaar zien.

— Je zei zooeven, dat ik niet kon meevoelen in je leed ... dit is mijn kind. —

Geforceerd kwamen die woorden er uit . . . Hij ontroerde ... hep weer terug om het portretje weg te zetten.

Scheffelaar keerde zich om . ging naar buiten ... trok met zijn wandelstok figuren over 't grint.

Sluiten