Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat! Alweer nieuwe ellende door zijn toedoen?

Haalde Lien zich dat in haar hoofd? . . . Hij probeerde zijn stem in bedwang te houden en zei kalm:

— Och, kindje! wel nee; heusch je maakt je véél te angstig om niets. Die man is vroeger bode bij me geweest en was altijd erg op me gesteld, 't Is een lummel, een ouwe afgeleefde man — zoo dom als je je maar 'n inlander kunt indenken. Maar ik zal 'm niet in mijn dienst nemen als jij zoo bang bent. Kom, vrouwtje je moet je niet zoo gauw laten neerslaan. — Kalmeerend klonken zijn woorden. Sussend haar als een kind, wist hij haar zacht neer te leggen op het groote witte bed . . . Hij kuste haar vol teêrheid op het voorhoofd en probeerde haar opnieuw ahe zorgen weg te praten. Uiterhjk deed hij onbekommerd — het hij haar gelooven dat het „niets" was.

En zelf geloofde hij ook werkehjk dat er geen gevaar was, maar aheen het zien van Lien's verdriet en angst — de oorzaak waardoor ze meende grond te hebben voor die angst sloeg hem verlammend om het hart. Altijd weer „zijn schuld" „zijn zonde".

Moest Lien daarom dan altijd hjden en zou het haar geheele gestel ten slotte niet ondermijnen?

Had hij niet teveel geïdealiseerd, toen hij meende mét Lien, al het oude te kunnen vergeten en een nieuw leven te zullen beginnen? Hij vreesde het als telkens weer het kleinste voorval haar zóó aangreep en beangstte.

Zuchtend doofde hij het lamphcht ... zijn hart was vol zorgen voor de toekomst. . . Elk voor zich zond in stüte een gebed op om bijstand en raad en bewaring voor gevaren . ..

Beiden dachten aan hun hevelingspsalmvers:

Hij weet wat van Zijn maaksel zij te wachten,

Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten.

En dat wij stof van jongs af zijn geweest.

Het was hun beider stille verzuchting dat ahe kwaad van hun huis mocht worden geweerd. Met Lien's hand vast in de zijne geklemd, overdacht hij, wat te doen om haar gerust te stehen. God wist van zijn strijd, van zijn berouw ... O, hoe graag zou hij haar sparen voor de gevolgen van zijn verkeerde daad. . .. Het scheen

Sluiten