is toegevoegd aan je favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,Vlijt u hier bij mij neder," riep Brammetje: „liet is geen ziel te vergen, na zulk een loop. met eene ledige maag. staande

raad te plegen."

Gun mij. lezer, de eer u mijn gezelschap voor te stellen, in de orde, waarin wij ons 0111 hem plaatsten. W ij beginnen natuurlijk niet het middelpunt.

Wanneer gij in Brammetje door zijnen eersten uitroep een student in do theologie vermocddet, bedroogt gij u niet; maar zoo gij hem. om zijne bezorgdheid voor het middagmaal, schraal of rank waandet, vergistet gij u deerlijk. Ik weet 11 geen beter begrip van zijnen buik te geven, dan door u de vreugde te doen kennen, waarvan zijn hart overvloeide, toen zijn kleermaker hem vertelde, dat de mode ons dit jaar rokken bestemde, welke niet waren digt te knoopen. „Hoezee!" riep hij uit: „zulk een frak bevalt mij, hoe luijer ik ben. hoe gezonder ik worde — een rok. die niet aan het licht brengt, wat ik dagelijks win, is een ideaaltje. Het is zoo vervelend te liooren : „Wel man! je moet goede dagen hebben; je kleeren worden je te naauw;" alsof ik voor mijn verdriet aan de akademie was." Men kwelle zich niet met de vrees, dat die omvang Brammetje later in het verkrijgen van een beroep hinderlijk zal zijn: de boeren eischen niet minder een man van gewigt, dan een wigtig man. En het ontbreekt zijnen geest niet. . . Maar ik heb u slechts den uiterlijken menscli voor te stellen; in gezelschap is men te beleefd, iets meei te eischen. Het logge lijf in de stralen der zon koesterende, deed hij op dat oogenblik een elzen twijg den dubbelen post van vliegewaaijer en zonnescherm waarnemen; op zijn blozend gezigt lag eene uitdrukking van ontevredenheid, welker oorzaak

u reeds bekend is.

En nu de fluitspeler, Albert, wiens witte zomerpantalon en zwart fluweelen jasje de rankheid zijner gestalte fraai deed