is toegevoegd aan uw favorieten.

Avonturen als straatmuzikant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONTMOETINGEN EN F.F.N ENGAGEMENT.

— „Wat zulke lui nog ophale, hè," hoorden we om ons opmerken, terwijl we op „Concordia" aanstapten, een aardig, frisch hotel aan den grooten weg, dat aan ieder, die wel eens van Wageningen naar Arnhem gefietst of gereden is, zeker bekend zal zijn. Er zat publiek in den voortuin en onder de waranda, menschen, die onderweg even waren afgestapt, wandelaars, die de stoomtram afwachtten.

En we speelden.

Al dadelijk kwam er een vriendelijk heer naar buiten, die ons met belangstelling opnam en later bleek te zijn de heer W. H. Waterborg, eigenaar van het café-restaurant „Concordia." En de heer uit de Annastraat, die evenals hij in ons artistenleven een belangrijke rol zou gaan spelen, voegde zich bij hem en begon dadelijk, — 't was duidelijk te merken: over ons — een druk en blijkbaar belangrijk gesprek. Want terwijl de andere heer betoogde en redeneerde, knikte de heer Waterborg, keek even raar ons, liep dan naar binnen, keerde weer terug en luisterde verder. En dan knikten ze samen weer goedkeurend.

We haalden een aardig duitje op daar, en werden er op bier getracteerd. Bovendien bemerkte ik, dat Naphta werd binnen geroepen en met heer Waterborg en zijn vriend een gesprek begon.

— „Etes vous frargais?" werd mij op hetzelfde oogenblik in goed Fransch gevraagd door een eenigszins verloopcn uitziend heer, met sterk ingevallen wangen, vale gelaatskleur en doffe, uitdrukkirglooze oogen, die een breede sportpet op de dunne haren droeg en eenigszins nerveus op een uitgedoofd cigaretje stond te kauwen.

— „Nous sommes napolitains, m'sieur," zei ik gedwee mijn lesje op.

— „Ah ! Napolitains. En waar komt u nu vandaan. Waar woont u?"

— „Wij wonen op het oogenblik in Amsterdam, mijn halfbroer en ik. Van daaruit trekken we 't heele land door."

— „Zoo, zoo." En vol belangstelling vroeg de man verder, mij van zich zelf vertellend, dat hij sedert jaren in België woonde.

Hij bleef aandachtig luisteren, to<n Naphta terugkeerde en mij als groot nieuws kwam meedeelen, dat we misschien 's avonds van 9 tot ir uur een concert in „Concordia" zouden kunnen geven. Het hing er slechts van af, of de eigenaar vergunning zou kunnen krijgen. En werkelijk zagen we een oogenblik later den heer Waterborg, in gezelschap van een veldwachter, die ons onderweg reeds naar onze vergunning gevraagd had, in de richting van het gemeentehuis verdwijnen. We wachtten geduldig, maar begrijpelijk uiterst nieuwsgierig, zijn terugkomst af. Want een engagement voor den avond beteekent voor straatmuzikanten, die in het donker niets meer langs den weg verdienen kunnen, een niet gering buitenkansje.

De fortuin bleek ons gunstig.