is toegevoegd aan uw favorieten.

Avonturen als straatmuzikant

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Blijft u hier in Oosterbeek?"

„Mais non, m'sieur. We gaan morgen naar Arnhem En dan

verder: Steeg, Zutphen, Zwolle, Assen. En clan Duitschland, en

daarna Denemarken." ,

— Zoudt u hier nog eenige avonden willen spelen r

— '„Hier in Oosterbeek, in Concordia? Zeker, signor, mits het

goed betaald wordt." . ,

— „Wat zou je dan willen?" vroeg de heer Waterborg in tHol-

landsch aan zijn vriend. . . „Wel, die luidjes nog een week hier houden, en ze dan in

Oosterbeek en in den omtrek laten spelen."

— „la, maar ...." . .. „ Qch wat, we moesten dat zaakje nou s samen aanpakken,

en in" 't Fransch tot ons: „Wat vraagt u om een week lang hier

en in de omstreken 's avonds concert te geven? '

We raadpleegden een oogenblik, vroegen — natuurlijk geheel vreemd staand voor een aanbod, waarop wij uit den aard der zaa toch niet zouden ingaan — of het spelen in andere cafés en in de straten ons dan verboden zou zijn, en noemden, toen ons dit bevestigd werd, de ronde som van vijftig gulden. ,

— „Nou, hoe denk je d'r over?" vroeg Maecenas aan zijn vriend Waterborg, die nog niet overtuigd scheen van 't financieel succes. „Ziet u," zei hij tot Naphta, „het is maar een aardigheidje onder ons. Ik ben natuurlijk geen impressario, maar 't is alleen n grapje.

We wierpen echter als bezwaar op, dat we daardoor misschien betere engagementen in Arnhem zouden misloopen en kwamen ten slotte overeen, er den volgenden ochtend nog eens over te

We bleken niet minder dan ƒ 20 bij den vriendelijken heer Waterborg te kunnen deponeeren, terwijl we toch nog ƒ 3.70 aan kleingeld konden meenemen ter bestrijding van onze Arnhemsche

Beleefd namen we afscheid van onze gulle Oosterbeeksche vrienden, waar we ons orgel en den wagen lieten, en voegden ons bij vriend „Carré", die reeds de stoomtram afwachtte en ons op zijn kosten naar Arnhem overbracht. .

In de tram eerst voelde ik, hoe geweldig me die vermoeiende concertavond had aangepakt. Het was me een mengeling van tallooze deunen in 't hoofd geworden, die langzaam maar zeker in een stevige hoofdpijn overging, en hevig naar een rustige slaapplaats verlangend, gleed ik even den dut 111, aan Naphta de zorg voor het vervolg der beschrijving van onze steeds in merkwaardigheid toenemende avonturen overlatend.