is toegevoegd aan je favorieten.

Kleine bandeloozen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als-t-ie vent 't maar hoort,« twijfelde er een.

Ja, as-t-ie 't hoort, ik geloof 't nog niet. Da's een judas die kerel, die houdt zich maar zoo. 'k Zie 'm laatst bij de poort en toen vraag ik zoo an 'm : »Kaak heb-je werk.« »Wat?« zegt-ie — en met-een zegt-ie er zoo bovenop ;iiéé ik sta aan de dijk.«'k Bezweer je, zoo oud as-t-ie is, hij neemt iedereen. Was ik nou zoo stom geweest,« drifte de vrouw uitleggend verder, som voor de tweede maal te vragen, >of je werk heb!« nou dan zat ik er in, hè . . . zoo'n kerel.«

»Waar gane ze eigenlijk heen?« informeerde er een plots; »'k heb er nog niks van gehoord.!

■> Achter de werf, om de hoek bij de belt,« lei een van de vrouwen uit ; »een zolderkamer heb k gehoord met een atigebouwde keuken.»

Zóó, voor goeigheid?« uithoorde de vrouw.

»Nee, maar voor een prikkie, ja die huisbaas is gek.«

sNou maar 't is daar een buurtje,« schamperde ze terug alles staat leeg door de lucht van de belt en de hm . . .«

»Als je daar woont,« verzekerde een ander, »nou dan zit je wel in de missère wat jou, 'k zit óók liever in de bocht, hahaha . ..«

Lui schuddend lachten ze meê, maar een slag in 't portaal schrikte ze op.

Lawaaiend was een omgeschopt vrachtje; een ijzeren pot met een ketel, naar beneden getuimeld. De vrouwen drongen nieuwsgierig opeen voor het open portaal.

Hè gelukkig, hijgde er een met een ontsnappende