is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine bandeloozen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een geschilderden steen hoog in hun gevel. Waar figuren en cijfers mooi rustig troonden, onder den nok. Drooglatten spaakten er buiten de ramen. Vervelooze kozijnen waren scheef verwrongen en staarden als oude dof-versleten oogen. Dreunende karren met schorschreeuwende kerels lawaaiden er heele dagen, alleen diep in den nacht was daar rust.

Kinderen ravotten en stoeiden er over stoepen en leuningen; en scholden en vloekten de vloeken,gehoord van hun vaders en moeders en sarden de honden. Maar hier leefden ze broederlijk saam, hier tierden en joelden ze vereend om de kostbare spullen. Ze voelden zich één onder het uitgalmen van brutaal stoute liedjes. Ze kenden alle wijsjes en deuntjes, die het orgel hier jankte. Oppermachtig heerschten ze over de neer gestreken kermisvlucht, met hun zingende kelen en trappelende voeten.

Als soldaten op marsch, trokken ze in gesloten collonnes om de schuddende tenten. Soms, even verspreid, warrelden ze als bromvliegen onder het volk; maar dan sloten ze zich weer nauwer aaneen, voorttrekkend als een stuwende drom met het wegbarstend geluid van hun kelen omhoog.

Achter de tenten, bij een goochelaar, drongen ze in een saamgepakten kring opeen. Vermetel waren ze tot dicht tegen de houten stellage gedrongen, opgekropen tot met hun hoofden onder de waggelende tafel. Als de man bezig was een handigen toer te verrichten, waren